Gewestplan

Bekijk het gewestplan Leuven op de website van Gis Vlaanderen.

GIS-logo

Gewestplan Leuven

De eerste algemene wetgeving op de ruimtelijke ordening in België kwam tot stand met de stedenbouwwet op 29 maart 1962. De wet voorzag de opmaak van ‘aanlegplannen’ op diverse niveaus, voerde een algemene vergunningsplicht in en regelde de aanpak van inbreuken op de wettelijke bepalingen.

Op basis van de stedenbouwwet werden in de loop van de jaren zeventig de oorspronkelijke gewestplannen opgemaakt, voor gebieden die ongeveer overeenkwamen met de arrondissementen. Sinds de Vlaamse overheid via de staatshervorming van 1980 bevoegd werd voor de ruimtelijke ordening binnen het Vlaams Gewest, voerde zij verschillende wijzigingen door in de gewestplannen en overigens ook in de basiswetgeving.

Vlaanderen telt 25 gewestplannen. De gewestplannen bepalen de algemene bestemmingen die toekomen aan de diverse delen van het grondgebied.

Aan elke bestemming hangen voorschriften vast over wat al dan niet toegelaten mag worden in het bewuste gebied. Die voorschriften hebben verordende kracht, dit wil zeggen dat ze een eigen karakter hebben en dus beslissend zijn bij het vergunningenbeleid.

Begrippen

Woongebieden

De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal?culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven.

Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving

Woonuitbreidingsgebieden

De woonuitbreidingsgebieden zijn in eerste instantie bedoeld voor groepswoningbouw – sociale woningbouw tenzij de overheid over de ordening anders beslist.
Ze moeten een belangrijk element zijn voor het voeren van een grondbeleid.
Woonuitbreidingsgebieden zijn reservegebieden die slechts voor realisatie in aanmerking komen na verwezenlijking van de woongebieden.
De overheid beslist over het tijdstip, de fasering van uitvoering en de modaliteiten van verwezenlijking van de woonuitbreidingsgebieden.

Woongebieden met landelijk karakter

De woongebieden met landelijk karakter zijn in hoofdzaak bestemd voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven. Zowel bebouwing als landbouw zijn bijgevolg de hoofdbestemmingen van het gebied.

Industriegebieden

Deze gebieden zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. Ze omvatten een bufferzone. Voor zover zulks in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, kunnen ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel omvatten.

Dienstverleningsgebieden

De dienstverleningsgebieden (zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut) zijn bestemd voor de vestiging van bedrijven of inrichtingen waarvan de functie verder reikt dan de verzorging van de buurt.

Agrarische gebieden

De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzonder bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para?agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 meter van een woongebied of op ten minste 100 meter van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 meter en 100 meter geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven.

Waardevol agrarische gebieden

Deze gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen.
In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen.

Bosgebieden

De bosgebieden zijn de beboste of de te bebossen gebieden, bestemd voor het bosbedrijf. Daarin zijn gebouwen toegelaten, noodzakelijk voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen, evenals jagers –en vissershutten, op voorwaarde dat deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk.

Natuurgebieden

De natuurgebieden omvatten de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden.
Het zijn gebieden die een functie vervullen als merkwaardige biotoop met typische flora en/of fauna waarin minder algemeen verspreide elementen voorkomen. Zij kunnen eventueel een belangrijke waarde bezitten als landschapselement.
In deze gebieden mogen jagers? en vissershutten worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonbedrijf, al ware het maar tijdelijk.

Recreatiegebieden

De recreatiegebieden zijn bestemd voor het aanbrengen van een recreatieve en toeristische accommodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccommodatie. In deze gebieden kunnen de handelingen en werken aan beperkingen worden onderworpen ten einde het recreatief karakter van de gebieden te bewaren.

Meer uitleg betreffende de verschillende bestemmingsgebieden is te vinden in het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen.